29 december, 2018

Zilverkoorts: op jacht naar zeeforel

By Tom Sintobin 0 1161 Views

Heeft u zich al eens afgevraagd waarom artikelen over zeeforeltrips naar Denemarken steevast zoveel fenomenale sfeerfoto’s bevatten? Omdat de natuur er zo overweldigend mooi is? Dat is inderdaad één van de redenen.

Omdat mensen die helemaal naar het ruige Scandinavië trekken vaak extra veel oog hebben voor hun omgeving? Ook dat klopt. Maar een andere hele belangrijke reden is dat de visserij er soms zo knettertaai kan zijn dat je er gewoon veel tijd hebt om sfeerplaatjes te schieten… Mijn vismaat Michel, met wie ik begin april naar het eiland Møn ging, noemde het na twee dagen bikkelen “de mooiste plek ter wereld om niets te vangen”. Hij genoot desondanks: dutjes op de door het zonnetje opgewarmde stenen in de luwte van de krijtrotsen, spectaculaire wandelingen door de eeuwenoude bossen, genieten van de knaloranje zonsondergang terwijl je lekker zit te vissen op een steen. Michel begon zo stilaan op de kleine zeemeermin te lijken, als je het mij vraagt…

Een sterke start

Maar hij had gelijk. Ik heb zelden zoiets moois gezien als Møn. Dit eilandje midden in de Oostzee telt nog geen tienduizend inwoners, maar heeft vooral op het vlak van natuur extreem veel te bieden. Alle Deense landschappen, aldus Wikipedia, zijn er te vinden: akkers en moerassen, rietvelden en strandweiden, zandstranden en beukenbossen – en natuurlijk ook de imposante krijtrotsen aan de noordoostkant waar het eilandje zo bekend om is geworden. Samen met het Duitse eiland Rügen is Møn het enige wat over is van een veel groter stuk land, dat Muschelkalk werd genoemd maar in de loop der eeuwen is verdwenen… Musschelkalk – schelpenkalk: de naam verwijst naar de vele fossiele schelpen die in die kalkrots staken. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat er op Møn een heus dinosaurusmuseum is, waarin skeletten te zien zijn die uit de krijtkrotsen zijn gewonnen.

 

zeeforel Mon

Niks geen 1000 worpen!

 

Hebben we dan niets gevangen? Ha, dat had gekund, maar zo erg was het niet. De eerste avond was het zelfs al prijs. We waren een paar uur voor donker aangekomen en besloten nog snel even een wandelingetje langs de kust te maken, om ons strijdperk voor de komende dagen alvast eens te overzien. Voor de zekerheid neem je dan natuurlijk maar een hengeltje mee… Na een autoritje van acht (8) minuten kwamen we bij een bos, waarachter de zee lag, volgens onze GPS. Dat klopte, alleen stonden we op een klif en lag de zee tientallen meters onder ons, en nergens viel een trap te bespeuren… Gemotiveerd als we waren besloten we dan maar om de zeer steile helling uit te proberen. Het leek meer op skiën of downhill mountainbiken dan op wandelen, maar uiteindelijk stonden we dan toch beneden, als modderduivels. Even de zee in en dat spoelde weer schoon.

Het water was melkachtig van kleur – heel vreemd, en vrij troebel daardoor. We wisten toen nog niet dat dit kwam doordat de wind uit het oosten kwam, waardoor er kalk van de zich aan die kant bevindende kliffen spoelde dat zich langzaam maar zeker langs de hele kust van het eiland verspreidde. Wisten wij veel hoezeer dit fenomeen ons parten zou spelen. We gooiden op goed geluk wat lepeltjes in het rond, zonder veel vertrouwen, genietend van de rust en de avond. Plots kreeg Michel een kolk achter zijn kunstaas – en niet veel later voelde ik een harde klap op mijn hengel en stond ik zowaar mijn eerste Deense zeeforel te drillen. Een exemplaar van een stuk over de 50 cm, zo bleek na een korte dril. Hoezo, zeeforel is ‘de vis van de duizend worpen’, grinnikten we ’s avonds in het vakantiehuisje! Niks van, twee kansen in nog geen twee uur vissen! En zelfgenoegzaam sliepen we de slaap der dwazen, hoogmoedig dromend van de vele monsters die we zouden gaan vangen.

Op zoek naar BB-water

De volgende ochtend trokken we naar een stek aan de noordkant van het eiland, bij een plek die Fredskov genoemd werd. Het water was er bruin, als chocolademelk – de zichtbaarheid bedroeg zeker niet meer dan tien centimeter. De kustlijn bestond hier dan ook niet uit krijtrotsen, maar uit bergen klei, die door de wind afkalfden. We stonden er niet alleen: een heleboel Denen, veelal met de vlieg, was ook ijverig bezig. Al snel ving één van die lui een mooie zeeforel. Een goed teken, dat ons de moed gaf om urenlang vol te houden op een rotspartij die er zeer veelbelovend uitzag.

Worp na worp na worp na worp – tot we er uiteindelijk alleen bleken te staan en de moed ons in de schoenen zonk. Ik besloot een hulplijn in te zetten en naar Jens Bursell te bellen, een bevriend hengelsportjournalist. Jens schreef een fenomenaal boek over deze visserij (Meerforellen: Küstenangeln mit Profi-Taktiken) en moet een van de meest succesvolle zeeforespecialisten te zijn ter wereld. Toen ik hem zei dat de wind uit het oosten blies, mompelde hij meewarig iets dat ik niet kon verstaan maar dat verdacht veel als “you are fucked up” klonk. Hij vertelde me over de BB-regel, om te bepalen of het water helder genoeg is: “when you are up to your balls in the water, you must be able to see your boots”. Wij zagen onze laarzen jandorie niet eens als we er tot aan onze enkels in stonden.

Het juiste type bodem

 

 

zeeforel

De resultaten bleven dan ook niet uit

 

De auto in dus en weg, meer naar het westen, weg van de kalk en klei die onze balls, pardon, onze boots onzichtbaar maakten. En ja hoor, de plek die Jens ons had gesuggereerd, het onwerelds mooie strand van Hohvedskov, was vele malen helderder. Bovendien zagen we in één oogopslag dat de bodem hier het befaamde ‘luipaardmotief’ vertoonde waarover we hadden gelezen: een afwisseling van wier, stenen en zand – en het favoriete jachtterrein van vriend Salmo trutta.

Vol goede moed begonnen we al wadend te vissen. De bodem bleek geleidelijk af te lopen, met hier en daar wat diepere geultjes en onderwatereilandjes – zodat we vele tientallen meters diep in zee konden staan. Een paar uur en honderden worpen later lieten we onze oren weer hangen: niets, helemaal niets. Elk één volger, dat was het. Gelaten sjokte ik weer richting auto, door het kniediepe water. Op een gegeven moment zag ik een geultje waarin wat branding stond, en ik besloot toch nog maar eens te gooien. Het was onmiddellijk prijs: een slanke zeeforel van even over de 50 cm zag de binnenkant van mijn net. De volgende worp leverde weer een aanbeet op, maar de vis loste al springend. Michel, die een eindje achter mij liep, wist niet hoe snel hij ook in die branding moest gooien. Bam, weer een vis erop bij mij – hij kwam meteen het water uit en vocht als een bezetene. Na een dril zo spannend was dat zelfs Hitchcock hem niet had kunnen verzinnen (de vis probeerde verdorie zelfs tussen de benen van Michel door te zwemmen!) mocht ik een dikke zeeforel van net geen 60 cm in mijn handjes houden… Het werd tijd dat Michel, die, als altijd, blij was voor zijn vismaat en niet te beroerd om prachtige foto’s te komen maken, ook iets ving, en dus gaf ik hem mijn ‘wonderkunstaasje’, de Sandeel van Savage Gear. Zelf ging ik aan de slag met een willekeurig lepeltje uit mijn doos. Bizar, maar in het kwartier dat volgde haakte Michel één vis, die hij helaas tijdens de dril loste, en ving ik er nog twee van rond de 40 cm. En toen was het voor allebei over. We snapten er niks van, maar goed: we hadden nog twee dagen. Het werden twee dagen van beproeving…

De wind was nu helemaal gedraaid naar het zuiden, zodat ons stekje aan het strand kristalhelder en windstil was geworden, en daar trapt een beetje zeeforel niet meer in, leerden we al snel. Elders vonden we enkel een modder- of kalkboel. En ondanks kilometerslange wandelingen en veel rondrijden, konden we maar niet ontdekken waar de scheidingslijn tussen helder en troebel precies was! Kort samengevat: we kregen in die twee dagen een handvol aanbeetjes en volgers, die we feestelijk verspeelden… Daarna stak er een ware storm op uit oostelijke richting om ‘u’ tegen te zeggen, die het vissen dagenlang overal onmogelijk zou maken, en dus was het tijd om dit mooie paradijsje te verlaten – de wind die deze hele trip zo taai had gemaakt hartsgrondig vervloekend…

zoeken naar zeeforel

 Op zoek naar zilver in eindeloze bossen 

 

Op de gladde keien is een waadstok heel handig

 

 

Pure zilver!

 

The horror, the horror

Zoals u hierboven hebt kunnen lezen, verspeelden we opvallend veel vissen. Dat vonden wij ronduit afgrijselijk, en we zijn niet de enigen, want dat hoge aantal missers is iets waar alle zeeforelvissers voortdurend mee bezig zijn. Zeg nu zelf: dagenlang trotseer je weer en wind en branding om worp na worp te maken, klauter je over klippen en probeer je je staande te houden op spekgladde keien, zit je uren in de auto om naar de beste stekken te rijden – en dan bijt er eindelijk zo’n beest aan, en hij schiet los. Het is om harakiri van te plegen op je waadstok!

Er werden in de loop der jaren dan ook tal van ingenieuze montages uitgedokterd om het aantal lossers te reduceren. Eén van de oorzaken van de losschietende vissen, zo redeneerde men, is het ‘hefboomeffect’: de vis schudt met zijn kop, en het gewicht van de lepel zorgt voor druk op de haken waardoor ze lossen. Een eerste stap bestond eruit dat men twee splitringen monteerde voor de dreg, om zo dat effect wat te reduceren. In de lokale hengelsportzaak op het eiland zag ik voor het eerst een inlinelepeltje, met een enkele haak erachter: als de vis dan met zijn kop schudt of springt, schuift de lepel over de hoofdlijn naar boven, zodat er geen druk op de haak komt te staan. Op de camping waar we verbleven ontmoetten Michel en ik visgids Ken Sørensen, die nog een andere verbetering had bedacht: hij gebruikte een kleine circlehook (Owner Mutu Light Circle nummer 1 of 2, afhankelijk van het formaat lepel) in combinatie met een ‘soft bead’ die hij over het haakoogje en knoop schoof. Niet aanslaan bij een aanbeet was de boodschap: gewoon doordraaien terwijl je de hengel naar omhoog brengt, en dan zijn de vissen netjes in het scharnier van de bek gehaakt.

Een veel complexer systeem werd uitgedokterd door Jens. Hij ontdekte dat het niet enkel het hefboomeffect is dat voor veel verspeelde vissen zorgt, maar ook het feit dat grotere haken maar op een beperkt aantal plekken in de bek kunnen indringen – de rest van de bek is eenvoudigweg té hard. Hij wilde dan ook een systeem waarbij hij kleine dregjes kon gebruiken omdat die ook in het dunne laagje zacht weefsel boven de harde gedeeltes van de bek konden prikken.

Het resultaat was de releaserig: een ingenieus systeem waarbij twee kleine dregjes niet onder maar naast de lepel komen te hangen, om dan los te komen van het kunstaas bij de aanbeet. Hij gelooft er heilig in en heeft jarenlang met zijn vismaten bijgehouden hoeveel lossers/hangers alle mogelijk montages opnemen. Hou je vast: standaardmontages leveren volgens zijn tabellen, gebaseerd op meer dan duizend contacten, een landingsratio op van rond de 40 procent, terwijl zijn systeem maar liefst 86 procent van de vissen ook daadwerkelijk in het net krijgt! Jens legt op youtube haarfijn uit hoe hij het knoopt: https://vimeo.com/161036144.

En voor wie wat Duits leest: probeer een exemplaar van zijn boek te bemachtigen. Omdat het knopen van zo’n montage nogal complex is, heeft Jens nu een veel eenvoudiger systeempje op de markt gebracht dat hij de “release connector” heeft genoemd. Ook met die kleine hebbedingetje stijgt het aantal gelande forellen aanzienlijk (65 procent van de aanbeten) omdat het je toelaat om een zeer klein dregje te gebruiken. Wie interesse heeft, kan het systeem bestellen via http://www.roven.nl/jens-bursell-release-connector-10mm-5st-7.html  

 

Diverse montages om de forellen te slim af te zijn

Release rig van Jens Bursell

 

Hij deed alles om te ontsnappen maar de circle hook deed zijn werk

 

Het gekke is dat ik met veel plezier en heimwee aan deze korte trip terugdenk, ondanks het duivelse gedrag van die o zo sluwe forellen. Ik merk dat ik mijn lepeltjes zorgvuldig heb opgeborgen, zodat ik ze makkelijk kan terugvinden als ik terug ga – en dat ik ze al een paar keer ben gaan ‘bewonderen’ in mijn garage. Ik zit online zeeforelartikelen te lezen, en doorploeg oude nummers van diverse magazines die ik bezit op zoek naar andere reisverslagen. Op facebook zit ik naar de foto’s van Deense vissers te staren…

In zekere zin zou je kunnen zeggen dat ik ontwenningsverschijnselen vertoon, dat ik in zekere zin verslaafd ben geraakt aan deze zilveren dieren uit Denemarken. Dat hoeft eigenlijk niet te verbazen. Een psychologe legde me ooit eens uit hoe verslaving werkt. Als je altijd zou winnen, of altijd zou verliezen, zo legde ze uit, dan zou je niet blijven spelen want dan is het niet leuk meer. Maar als je zo heel af en toe eens mag winnen, dan blijf je gaande – want altijd opnieuw, bij elke draai van de roulette of elke worp met de lepel heb je kans op geluk.

avondvissen zeeforel Mon

“De mooiste plek ter wereld om niets te vangen…”

 

Ook IJslandse zeeforellen zijn bloedmooi

 

Hotspot vlakbij de camping!


Veel hoef je niet mee te nemen: een spinhengel van 270-300 cm met een werpgewicht tot 30 gram, een molentje met 15/00 gevlochten lijn op, een rolletje fluorocarbon 25/00-35/00, wat lepeltjes en een waadpak plus waadstok. Wie dat leuk vindt of voorziet met kristalhelder en rimpelloos water te maken te krijgen kan ook een sbirulino (20-30 gram, sinking) en wat vliegen die garnalen imiteren inpakken, en zijn vliegenhengel natuurlijk (maar daar heb ik geen kaas van gegeten). En het allerbelangrijkste: vergeet niet om al je doorzettingsvermorgen en moed mee te nemen, want de forellen gaan je tot op het bot testen!
Zeeforellen kan je ook in Zweden, Noorwegen of IJsland, maar het voordeel van Denemarken is dat zo’n tripje niet duur hoeft te zijn: je kunt er met de auto heen, en er is een hele mooie camping op Møn waar je ook gezellige vakantiehuisjes kunt huren. Neem een kijkje op https://www.visreis.nl/bestemmingen/moen/ voor alle informatie. De eigenaars, Sascha en Ole, vissen zelf ook en er is een visgids ter plaatse. De hotspots rond de kliffen zijn vlakbij – onze avondstek was 8 minuten rijden! De vergunning kan je online kopen of ter plaatse: www.fisketegn.dk

Terug naar Møn 


Omdat ik Møn bloedstollend mooi vond, besloot ik dat mijn gezin het eiland ook moest zien en dus trokken we er voor vijf dagen heen in de meivakantie. Met de hand op het hart kan ik zeggen dat we allemaal met volle teugen genoten hebben. Fossielen zoeken bij de kliffen, wandelen in de wouden, klauteren op de vele dode bomen op het strand, een bezoekje aan het dinomuseum, staren naar de overweldigende sterrenhemel boven dit officieel tot donkerste plek van Denemarken uitgeroepen gebied – het was fenomenaal. Ik ben er een paar keer ’s avonds voor twee uurtjes op uitgetrokken, gewoon te voet vanaf de camping – en dankzij de goede omstandigheden deze keer ving ik telkens twee forellen. De grootste twee gingen vlotjes over de 70 cm, met een klepper erbij van 75 cm. Die laatste vis kwam terwijl de kinderen met marshmellows en een kampvuurtje in de weer waren op het strand achter me. ‘Life does not get any better,’ zei Sascha me toen ik haar over die avond vertelde – en ze had gelijk!

Tom Sintobin

 

 

Gerelateerde artikelen:

  • Er zijn geen gerelateerde artikelen gevonden
Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *